Veen - verhalen

Turf aan snee

In het brede dal ten oosten van de Hondsrug ontstond in de loop van de laatste duizenden jaren een dik pakket hoogveen. Vanaf de middeleeuwen werd dit veen als brandstof (turf) hogelijk gewaardeerd en ging men het hoogveen afgraven en verkopen. In het begin waren het vooral de Groninger kloosters die de vervening grootschalig aanpakten. Later namen veencompagnieën die rol over. Vele eeuwen lang werkten er mensen achter de Hondsrug aan de overkant van het riviertje de Hunze om turf te steken uit de natte bodem. Het vlakke, vruchtbare land bleef over nadat de veenarbeiders hun werk hadden gedaan en hier ontstond een compleet nieuw landschap, dat van de Veenkoloniën.

 

 

De Hunze

Het grootste deel van de middeleeuwen lag het hoogveen van het Bourtanger Moeras achter de Hondsrug en de Hunze er leeg en verlaten bij. De eerste turfwinning begon langs de oostoever van de Hunze toen de Groninger kloosters, o.a. Aduard, zich met de turfwinning gingen bemoeien.

De oprichting van het Groninger Schuitenschuiversgilde in 1403 bevestigde de invloed van de stad Groningen in het Hunzegebied en zo hadden de Groninger turfschippers een paar eeuwen lang het monopolie op de scheepvaart op de Hunze.

Laden van turf op een schuit

De Drentse Monden

In de achttiende eeuw werd de grillige Hunze steeds ongeschikter voor het vervoer van turf en daarom besloot de stad Groningen om het Stadskanaal te laten graven. Het nieuwe kanaal werd vanaf 1767 aan de Groningse kant van de grens gegraven, zodat het kanaal en de turfhandel volledig door de stad Groningen werd beheerst.

In 1817 sloten de negen Drentse Hondsrugdorpen een convenant met de stad waarin de afvoer van de Drentse turf door het Stadskanaal geregeld werd. Het ging om een gebied van veertien duizend hectare. Lagen de oudere dorpen in het veen evenwijdig aan de Hondsrug, de nieuwe Drentse Mondendorpen kwamen er dwars op te liggen, langs de afvoerkanalen voor de turf. Tussen 1870 en 1880 bereikte de productie van turf hier zijn hoogtepunt. De productiegebieden schoven steeds verder naar het zuiden op.

Na het beëindigen van de turfproductie ontstond hier een totaal nieuw landschap met nieuwe dorpen met veel bedrijvigheid in de landbouw en industrie. Vaak overvleugelden de nieuwe dorpen de oude dorpen van waaruit ze waren ontstaan.

Veenkolonie Gasselternijveenschemond

Zuidoost-Drenthe

Vervolgens kwamen de venen van Zuidoost-Drenthe aan snee. De oudste ontginningen bij Nieuw-Amsterdam dateren uit 1861 en de laatste in het Schoonebeekerveen rond 1914. De kwaliteit van de turf verschilde van noord naar zuid. Naarmate men verder naar het zuiden kwam, werd de bolsterlaag dikker. Bolsterveen was eigenlijk alleen geschikt om tot turfstrooisel te worden verwerkt.
Een deel van de venen, zoals het Weerdingerveen, werd door tal van kleinere ondernemers verveend. Soms ging het om één ondernemer die honderden hectares aan snee bracht. Het bekendste voorbeeld is Willem Albert Scholten, de stichter van Klazienaveen.

Willem Albert Scholten

 

Het Bargerveen in Zuidoost-Drenthe

Van heinde en ver

Met de ontsluiting van het gebied stroomden duizenden veenarbeiders van allerlei achtergrond en pluimage het gebied binnen. Sommigen trokken met de oprukkende vervening mee vanuit de Drentse monden. Zo kwamen er veel Friezen en Overijsselaren naar Zuidoost-Drenthe. De hang naar individuele vrijheid was een belangrijke gemeenschappelijke karakteristiek van de veenarbeiders plus een portie weerzin tegen orde en gezag.
De vaste veenarbeiders werkten met het hele gezin voor een vervener. Meestal huurden zij ook een stenen huisje van hem. Daarnaast was er een groep die door losse arbeid in hun bestaan moest voorzien. Zij woonden in plaggenhutten in de buurt van de venen.

Plaggenhut in de buurt van Emmen, begin 20e eeuw

Veenpark - Veenmuseum

Deel dit: