De IJstijden - verhalen

Van ijzig koud naar subtropisch warm

Zo’n 2,5 miljoen jaar geleden begonnen de ijstijden: koude perioden waarin zich landijs vormde, afgewisseld met warme perioden. Er zijn minstens 23 ijstijden geweest. Deze ijstijden maakten een einde aan de machtige Eridanos-rivier. Landijs en smeltwater hebben de Hondsrug gevormd. Een dikke ijskap transporteerde de talloze grote zwerfkeien hiernaartoe vanuit Scandinavië. IJskoude poolwinden veranderden het gebied in een kille woestijn, maar tijdens de inter-glacialen was het soms warmer dan tegenwoordig. Het landijs trok vier kilometer lange rechte lijnen door het landschap: de Hondsrug en enkele ruggen ten westen ervan. Na de laatste ijstijd groeide een dik pakket veen tegen de randen van het Drents plateau en de Hondsrug omhoog.

Voor het verhaal van het Hondsruggebied zijn vooral de laatste drie ijstijden belangrijk.

Elster-ijstijd (475.000-410.000 jaar geleden)

Waarschijnlijk kregen we hier tijdens de Elster-ijstijd voor het eerst met het landijs uit Scandinavië te maken. De erfenis van de Elster -ijstijd bestaat uit diepe erosiedalen of tunneldalen in Noord Drenthe, opgevuld met dikke lagen wit zand en zware potklei die door het smeltwater werden afgezet. Het glinsterend witte zand uit de Elster-ijstijd noemen we Peelozand of ook wel Poesjeszand. Op de Hondsrug en het Balloërveld ligt het hier en daar aan de oppervlakte.

Potklei is een fijne kleisoort, vrijwel ondoordringbaar door regenwater. In de middeleeuwen begonnen de kloosterbewoners potklei te gebruiken om er hun kloostermoppen van te bakken. Potkleigebieden hebben een speciale vegetatie.

Verschillende zandlagen bij Donderen, met wit Elster zand onderin (Foto: Gerry Koopman)

Saale-ijstijd (370.000-130.000 jaar geleden)

Tijdens de Saale-ijstijd vond de dikste ijsbedekking plaats in Nederland en uiteindelijk kwam het landijs ongeveer tot aan de lijn Leiden-Utrecht-Nijmegen. De ijstongen van de Saale duwden het landijs voor zich en drukten de ondergrond op tot stuwwallen, o.a. de Utrechtse Heuvelrug.

Regelmatig smolt het ijs af om duizenden jaren later opnieuw op te rukken. Aan het eind van de Saale- ijstijd, zo’n 150 duizend jaar geleden, kwam binnen het smeltende ijs een smalle stroom ijs in beweging, een zogenaamde ijsrivier. Deze ijsrivier heeft het Noordwest-Zuidoost verlopende patroon van evenwijdige ruggen en laagten door Drenthe getrokken. Het zijn deze parallelle ruggen, waaronder die van de Hondsrug, die het unieke landschap van het Hondsruggebied definiëren. Grote massa’s smeltwater van de Saale ijskap erodeerden de diepe dalen van de Drentsche Aa en de Hunze.

Na het smelten van het ijs bleef een dikke laag keileem achter met klei, zand, grind en zwerfkeien. Van deze stenen stapelde het trechterbekervolk zijn hunebedden. De warme periode na de Saale- ijstijd wordt het Eemien genoemd. In deze tijd stond de zeespiegel minstens vijf meter hoger dan tegenwoordig.

Een droogdal bij Drouwen

De Weichsel-ijstijd (110.000-10.000 jaar geleden)

In de Weichsel-ijstijd bereikte het landijs onze streken niet, maar het was hier wel erg koud. De zeespiegel daalde meer dan honderd meter en het grootste deel van de Noordzee viel droog. Er leefden hier in de Weichsel-ijstijd mammoeten en wolharige neushoorns. Het wild trok jagers aan, waaronder Neanderthalers. Tegen het eind van de Weichsel-ijstijd kwam de temperatuur zelfs hartje zomer nauwelijks nog boven nul uit. Het Hondsruggebied was een eindeloze kale toendra waar zandstormen het kale oppervlak schuurden en stuifzand afzetten. Dit zogeheten dekzand vind je overal in het Hondsruggebied meteen aan de oppervlakte. Veel dekzand is tot lange, brede ruggen opgestoven. Door stuwing van grondwaterstromen onder de bevroren bovengrond ontstonden in deze tijd de vele pingoruïnes.

De droge dalen op de flank van de Hondsrug ontstonden in de Weichsel-ijstijd, op de bevroren ondergrond (permafrost). Alleen in de zomermaanden ontdooide de bovenste 2-2,5 meter. Deze bovenlaag veranderde dan in een papperige, natte massa.  Omdat het regen- of smeltwater niet in de grond kon zijgen stroomde het langs de heuvels weg en sleep zo de dalen uit.

Pingoruïne

Na de laatste ijstijd

10.000 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd voorgoed en begon het warme Holoceen. De vegetatie kon zich herstellen en er ontstonden uitgestrekte wouden. In de beekdalen begon zich veen te ontwikkelen. Het veen groeide na verloop van tijd boven de waterspiegel uit en begon tegen de Hondsrug omhoog te klimmen. Door het milde klimaat kon ook de mens zich weer in onze streken vestigen, eerst als jagers, daarna als boeren.

Hunebedcentrum