Bossen - verhalen

Bossen komen en gaan

Door de opwarming na de laatste ijstijd werd het een stuk warmer in onze streken en raakten de kale vlakten begroeid met dichte bossen. Op de keileemruggen in het Hondsruggebied ontwikkelden zich dichte bossen met eiken, linden en beuken terwijl de beekdalen dicht groeiden met moerasbossen met vooral elzen en berken. Het meeste bos verdween weer in de loop van de tijd door menselijke invloeden, totdat Drenthe eind negentiende eeuw bijna volledig kaal gekapt was.

Oude bossen

Vanaf ongeveer 5000 v.Chr. begonnen de eerste boeren in het Hondsruggebied stukken bos op te ruimen om er akkertjes aan te leggen. Als de grond na een paar jaar onvruchtbaar werd, legden ze verderop nieuwe akkers aan. Zo verdwenen de bossen niet alleen op de hoger gelegen gronden, maar ook in de beekdalen die de boeren nodig hadden als weiland en hooiland.
Er zijn in het Hondsruggebied nog restanten van de oude bossen (Holten) terug te vinden. Voorbeelden zijn het Amerholt en de Valtherspaan die tegenwoordig deel uitmaakt van het Valtherbos. Ook het landgoedbos van De Klencke hoort tot de oudste bossen van het Hondsruggebied.

Een oud stukje bos: het Amerholt

Strubben en eikenhakhout

Langs veel Drentse essen liggen oude eikenhakhoutbosjes die werden gebruikt als brandhout of geriefhout. Ze zijn vaak te herkennen aan de verschillende stammetjes die uit één stronk groeien. Bijzondere eikenbosjes zijn de strubben die van oudsher aan de rand van de heide lagen. Ze zijn het werk van de schapen die de jonge boompjes hebben aangevreten en dat zorgde ervoor dat de bomen niet konden uitgroeien en vreemde, verwrongen vormen gingen aannemen. Een mooi oud strubbenbos vind je bij Schoonloo en bij Schipborg.

Strubbenbos

Dennen in het zand

Tegen het eind van de negentiende eeuw begon men in Drenthe de grote stuifzanden te bebossen welke door het intensieve gebruik van de heidevelden steeds groter geworden waren. Door de zandduinen met grove den vast te leggen slaagde men erin om dat gevaar te keren. Mooie voorbeelden van oude stuifzandbebossingen zijn de Emmerdennen en de bossen bij de Zeegser Duinen.

Dennenbos bij Gieten

Heideontginningen

Vanaf de jaren ’20 en ’30 van de 20e eeuw werd vele duizenden hectares dennenbos aangeplant en zou het bosareaal vóór het eind van de 20e eeuw verdubbelen. De schaapskudden waren verdwenen omdat de boeren geen schapenmest meer nodig hadden. Ook begonnen steeds meer particuliere eigenaren een deel van de heide tot landbouwgrond te ontginnen. De beste grond werd gebruikt als akkers en weiland, maar ook bosbouw was een behoorlijk lucratieve bezigheid. Zo was er in de nieuwe Limburgse kolenmijnen een ongekend grote vraag naar hout om de mijnschachten te stutten.

Staatsbossen

Aan het eind van de negentiende eeuw ging de overheid zich bemoeien met het ontginnen en bebossen van heidevelden en daarvoor werd Staatsbosbeheer in het leven geroepen. Op dit moment beheert Staatsbosbeheer maar liefst 20.000 hectare bos in het Hondsruggebied. Na de Tweede Wereldoorlog was er in de Staatsbossen nogal eens sprake van ontmenging. Om de houtproductie op te voeren had je het meest aan naaldhout en was al dat loofhout ertussen vooral erg lastig. Tot in de jaren ’70 van de vorige eeuw zijn in delen van de Staatsbossen dan ook veel eiken en berken gekapt.

Terug naar natuurlijker bos

Na de grote stormen in de zeventiger jaren van de vorige eeuw ontstonden in de Drentse bossen steeds meer plekken waar spontaan natuurlijke verjonging ging optreden. Zaden van bomen uit de omgeving ontkiemden op open plekken en groeiden uit tot jonge bomen. Deze natuurlijke verjonging is de nieuwe aanpak van Staatsbosbeheer geworden. Door het uitdunnen van het bos en het maken van open plekken wordt de ontwikkeling naar een natuurlijker bos gestimuleerd. Een mooi voorbeeld is het Schapenpark bij Odoorn.

Odoornerzand

Cultureel Café"De Amer"

  • Amen 20
  • 9446 PC Amen
  • 0592 389 271
  • Deel dit: